Staat moet sanering betalen van Volgermeer

DEN HAAG - De saneringskosten voor ernstige
bodemverontreinigingen met chemisch afval, die dateren van vr 1 januari 1975,
zoals in de Volgermeerpolder en Gouderak, komen geheel voor rekening van de
overheid. Deze kosten zijn niet te verhalen op bedrijven als Shell en Solvay
Duphar, waarvan het afval afkomstig was.
Die uitspraken heeft de Hoge Raad vanochtend gedaan. Op 1 januari 1975 werd de
Interimwet bodemsanering van kracht, die bepaalt dat de vervuiler betaalt. In de
Volgermeerpolder bij Broek in Waterland stortten in de jaren zestig onder meer
Philips Duphar, nu Solvay Duphar, ruim duizend vaten zwaar giftig chemisch afval
zoals dioxine.
De Hoge Raad zegt dat destijds de algemene opvatting bestond dat men zich op een
verantwoorde manier kon ontdoen van voor de volksgezondheid gevaarlijke stoffen
door ze deugdelijk te begraven. Dan kwamen zo min mogelijk mensen ermee in
aanraking.
De vaten uit de Volgermeerpolder zijn in 1981 opgegraven en opgeslagen in
zeecontainers omdat ze dreigden door te roesten. Van de saneringskosten van 170
miljoen gulden moet Amsterdam tien procent betalen.
In Gouderak zijn op gemeentelijke stortplaatsen langs de Hollandse IJssel drins
(insecticiden) gestort waarop 115 woningen zijn gebouwd die in 1985 zijn
gesloopt. De Hoge Raad wijst erop dat Gouderak zelf kennelijk niet zo beducht
was voor het gif en er woningen liet bouwen.