De damwand voorbij

Zeer vuile terreinen, zoals de Volgermeerpolder in Waterland, moeten worden
geïsoleerd, luidde twintig jaar geleden het parool. Nu niet meer. Nu moet het
vuil blijven liggen, want het verspreidt zich toch nauwelijks.
H ET IS, ZO LEERT een ronde langs milieu-experts, vreemd gelopen met de aanpak
van gifbelten en chemisch verontreinigde grond in Nederland. Bijna twintig jaren
zijn voorbij, en alles lijkt veranderd. Paniek bij de bevolking heeft plaats
gemaakt voor berusting. Doortastende maatregelen zijn ingeruild voor
gecalculeerd nietsdoen. En vrijwel iedereen vindt het prima zo - een enkele
wetenschapper uitgezonderd.
Afgelopen maand werd in Utrecht het vernieuwde Griftpark in gebruik genomen, na
een ingrijpende bodemsanering die 250 miljoen gulden heeft gekost. Er gingen
damwanden de grond in om de plek 'voor eeuwig' van de omgeving te isoleren. Een
soortgelijke behandeling krijgt de Diemerzeedijk bij IJburg in Amsterdam:
aangepakt, ingepakt en geïsoleerd, à raison van ruwweg een kwart miljard gulden.

Maar het zou weleens de laatste rigoureuze saneringsoperatie van Nederland
kunnen zijn. De overheid vindt de aanpak te duur en twee jaar geleden werd op
het ministerie van VROM het beleid daarom al drastisch omgegooid. Sindsdien zijn
tientallen kleinere verontreinigde bodems en een enkele grote (gasfabriek
Kralingen) volgens een nieuw recept behandeld.
Verontreinigde grond mag tegenwoordig blijven liggen. Niet alleen omdat het
goedkoper is, maar ook omdat biologische afbraak een deel van de schoonmaak voor
zijn rekening blijkt te nemen. 'We werken nu met het zelfreinigende vermogen van
de bodem', zegt fysisch geograaf dr. Henk Leenaers van het TNO-instituut voor
Geowetenschappen in Delft. 'Daarbij hoef je niet zoveel zelf te doen, maar moet
je wel beter controleren of de natuur haar werk goed doet. Dat concept krijgt nu
een kans.'
In het Botlekgebied liggen tientallen vervuilde bodems op sanering te wachten.
Voor heel Nederland gaat het om honderden terreinen van voormalige gasfabrieken,
kleinere stortplaatsen en bedrijven. Alleen al ruim honderd chemische wasserijen
hebben hun ondergrond met oplosmiddelen vervuild en moeten worden aangepakt.
Maar op al deze plaatsen, verwacht Leenaers, zal er nauwelijks worden gegraven
en komt er geen damwand meer aan te pas.
De eerste 'klassieke' gifbelt waarop het nieuwe denken wordt toegepast, is de
Volgermeerpolder bij Broek in Waterland. Op deze voormalige vuilstortplaats van
de gemeente Amsterdam werden in 1980 meer dan tienduizend gifvaten ontdekt. Er
bestond angst dat de inhoud ervan via het grondwater zou wegsijpelen naar de
omgeving. Daarom werd aanvankelijk een verregaand saneringsplan opgesteld
volgens Griftparkmodel, dat echter wegens geldgebrek en lage prioriteit (er
wonen weinig mensen in de buurt) werd uitgesteld om ten slotte rigoureus te
worden omgegooid.
En dat is maar goed ook, vindt ir. Frank van Hage die bij de Amsterdamse
milieudienst het Volgermeerproject leidt. 'In het begin was sprake van een
paniekreactie, vooral vanwege die levensgevaarlijke dioxine. De filosofie was
dat het gif er gewoon niet hoorde te zijn. Dat uitgangspunt heeft gaandeweg
plaatsgemaakt voor het inschatten van de feitelijke risico's voor mens en dier.
En daar weten we tegenwoordig veel meer van.'
Zodoende ligt er nu een nieuw plan dat brutaalweg de eco-variant wordt genoemd.
De Amsterdamse gemeenteraad zal er waarschijnlijk in december mee instemmen. De
inmiddels weelderig begroeide polder krijgt een nieuwe deklaag van zand, maar er
wordt geen damwand geslagen en geen centimeter gifgrond afgevoerd of
schoongemaakt. Bij nader inzien is dat niet nodig. De vervuiling beweegt zich
niet buiten de polder en tegen de de tijd dat dit wel gebeurt, kan het worden
opgevangen en relatief goedkoop worden gezuiverd.
Zelfs vissen die rondzwemmen in de sloten binnen de gifbelt, vertonen
tegenwoordig niet meer dan zeer lage, nét aantoonbare sporen dioxines. Het
gehalte PCB's in de vis zit zelfs beneden de consumptienorm. De beesten bevatten
wel te veel chloorbenzenen: het water in de belt ís tenslotte vuil - globaal
zo'n vijf à tien keer vuiler dan het openbare water in de Amsterdamse havens.
Toch valt dat reuze mee voor een gebied dat twinig jaar geleden nog een
'chemische tijdbom' werd genoemd. Hebben de toenmalige deskundigen zich vergist
of hebben ze zich door milieuactivisten op sleeptouw laten nemen? Een beetje van
beiden, vindt milieuchemicus dr. Paul van Noort, hoofd milieuchemie van het
rijks onderzoeksinstituut RIZA.
'Ook binnen de wetenschap is er sprake van lemmingengedrag. Wanneer iedereen één
richting op gaat, is het moeilijk je daaraan te onttrekken. Maar wanneer je de
vakliteratuur van veertig jaar geleden terugleest, zie je dat ook toen wel werd
geschreven over onderzoek dat ons huidige inzicht over het binden van chemische
stoffen bevestigt. Kennelijk trok dat minder belangstelling.'
Inderdaad: dat leidt tot de conclusie dat in het verleden te veel geld is
uitgegeven aan saneringsmaatregelen die niet strikt noodzakelijk waren, geeft
hij schoorvoetend toe. 'Maar dat is een opmerking die ik uiteraard niet namens
mijn werkgever, het ministerie van Verkeer en Waterstaat, kan maken.'
Toch blijven er sceptici, onder wie de oud-directeur van het Instituut voor
Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit Amsterdam, dr. Jan Willem Copius
Peereboom. Hij zat twintig jaar geleden de Amsterdamse milieudienst al dicht op
de huid, omdat die volgens hem te laconiek omging met de risico's van dioxine.
De omwonenden van de Volgermeerpolder lopen wel dégelijk gevaar, schreef hij in
een even geruchtmakend als paniekzaaiend artikel in Medisch Contact.
'Die opvatting heb ik nog steeds. Als je goed meet, zul je vaststellen dat er
giftige stoffen uit de belt weglekken', doceert hij vanuit zijn woonplaats
Nijmegen. Maar het is de tijdgeest die mensen doet geloven dat het milieu steeds
schoner wordt en dat een beetje veruiling geen kwaad kan.
'Dat is de geruststellende boodschap die de meeste politici uitdragen. Daar
slagen ze in omdat zelfs de milieubeweging nauwelijks actie voert. Zelf lukt het
me ook niet meer om artikelen geplaatst te krijgen in de medische vakbladen. De
censuur in die kring is altijd heel sterk geweest.'
Milder, maar evenzeer kritisch is bodemkundige dr. ir. Guus Loch van de
Universiteit Utrecht. Als deskundige op het gebied van 'processen in de stort'
heeft hij indirect aan het nieuwe saneringsplan voor de Volgermeerpolder
meegewerkt. Maar de conclusie dat er geen ingrijpende maatregelen nodig zijn,
deelt hij niet. 'Er blijven te veel onzekere factoren, zoals het gedrag van
onbekende coctails van chemische stoffen en over de giftigheid van de
afbraakproducten die ze vormen. Ondanks al het nieuwe wetenschappelijk onderzoek
ben ik er niet gerust op.'
Ook het controleren van verontreinigd grondwater is een klus die soms wordt
onderschat, waarschuwt Loch. Grondwater beweegt zich onvoorspelbaar en komt
ongetwijfeld te voorschijn op een plek waar toevallig niet wordt gemeten. Op het
vlak van risico-analyse is inderdaad veel geleerd. Maar dat het overheidsbeleid
is bijgesteld vanwege nieuw wetenschappelijk inzicht, gaat er bij hem niet in.
TNO-man Leenaers twijfelt daar ook over. Geringere kosten en gewijzigd
milieubesef beïnvloeden het politieke handelen rond giflocaties meer dan de
wetenschap, denkt hij. 'Het Griftpark in Utrecht zou in de politieke situatie
van nu wellicht niet meer zo grondig worden aangepakt. Wie vandaag beweert dat
alles rigoureus moet worden opgeruimd, zal worden weggehoond.'
Een bindend effect
Waarom blijven gifstoffen op hun plaats in een waterige vuilnisbelt en sijpelen
ze er nauwelijks uit? In de drassige Volgermeerpolder in Waterland - de grootste
gifdump in Nederland - liggen tienduizend vaten chemisch afval, gevuld met
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), PCB's, gechloreerde
bestrijdingsmiddelen, chloorbenzenen, zware metalen en hoogst giftige dioxines.
Het grootste deel hiervan hecht zich aan slib en aan organische afbraakproducten
van planten en dieren, die overvloedig in de stortplaats voorkomen.
Dat dit gebeurt, is geen nieuws. Maar het gebeurt in veel sterkere mate dan
twintig jaar geleden voor mogelijk werd gehouden. Met name de zwaardere
componenten van het chemisch afval, waaronder zware metalen, PCB's en dioxines,
raken in de vuilnisbelt opgesloten en lossen nauwelijks op. De angst dat
verontreiniging zich via het grondwater snel verspreidt naar de omgeving, blijkt
niet terecht.
Vooral veenlagen (veel organisch materiaal) hebben een groot bindend effect;
meer dan bijvoorbeeld zandgrond. Ondergrondse waterstromen in het
veenweidegebied raken daardoor minder snel verontreinigd dan logisch lijkt. Het
zeer giftige dioxine verspreidt zich via slib. Zolang die binnen de belt wordt
gehouden is er met deze stof weinig aan de hand, zegt milieukundige dr. Kees
Olie van de Universiteit van Amsterdam. Althans voorlopig: 'In de toekomst kan
het, in combinatie met andere stoffen, toch naar buiten komen. Dioxines breken
zich nu eenmaal niet af. Over tweehonderd jaar zit je er nog steeds mee.'
De omgeving van een grote gifbelt die niet met damwanden wordt geïsoleerd, moet
letterlijk voor eeuwig worden bemonsterd. Het grootste deel van de
verontreiniging blijft weliswaar ingepakt of wordt biologisch afgebroken, maar
(afbraakproducten van) chemische stoffen zullen ooit oplossen en naar buiten
komen. De lichtere organische verbindingen, zoals de benzenen en chloorbenzenen,
komen het eerst.
Over 250 jaar worden deze stoffen waarschijnlijk gevonden in het diepe
grondwater nabij de Volgermeerpolder, en in het minder diepe grondwater duiken
ze misschien al op over vijftien jaar. Het vervuilde grondwater moet dan alsnog
worden opgevangen en gezuiverd.

Bron: Het Parool
Auteur: JEROEN TROMMELEN