De grootste gifbelt

In 1980 wordt Nederland opgeschrikt door het eerste grote gifschandaal. Op de stortplaats in de Volgermeerpolder worden meer dan tienduizend vaten met gif aangetroffen. Het geheim wordt al 25 jaar goed bewaard.

 

Sierck Buwalda herinnert zich een kille ochtend, die dag begin maart 1980. De bulldozerchauffeur wordt door zijn baas geroepen voor overleg. Hij werkt op de stortplaats in de Volgermeerpolder ; een voormalige veenderij ten noorden van Amsterdam. Vandaag moet op het noordelijk deel van de stortplaats, waar al jaren geen vuil meer is aangevoerd, een nieuw vak worden ingericht.

Buwalda rijdt daarbij over een paar doorgeroeste tweehonderd-liter vaten . Ze liggen tussen het oude huisvuil en barsten open onder het gewicht van de bulldozer. Ook nu, 25 jaar later, weet hij nog precies wat hij aantrof. 'Ingedikt, brokkelig materiaal, vergelijkbaar met natte basterdsuiker of zoiets. Het stonk verschrikkelijk.'

Op de vaten is een opschrift leesbaar: Philips Duphar. Wat hij zich daarbij voorstelde, weet niet meer. Maar vertrouwen deed hij het niet. Op het eind van de dag neemt Buwalda een brok van het witte materiaal mee naar huis om aan zijn vader te laten zien. De onderwijzer in Zuiderwoude vertrouwt de zaak evenmin en belt met het waterschap. Daar krijgt hij te horen dat ze niets met de vondst kunnen. Ook het gemeentebestuur in Broek in Waterland adviseert hem rustig af te wachten en niets te doen.

Wel komt de opzichter van de vuilnisbelt in actie. Hij vraagt de gemeente Amsterdam, eigenaar van de stortplaats, de vondst te onderzoeken. De bulldozerchauffeur moet zijn mond houden over de zaak. Wel alarmeert zijn vader de gemeenteraad en de lokale actiegroep Vereniging Behoud Waterland.

Vervolgens beginnen de eerste berichten over chemisch afval rond te zoemen. Kort daarop krijgt Buwalda te horen dat hij op staande voet is ontslagen; het klassieke lot van de klokkenluider. 'Er was een onwerkbare situatie ontstaan, omdat ik de zaak aan de grote klok had gehangen.'

Op 29 april verschijnt het eerste berichtje in de kranten: 'Giftig afval op stortplaats'. In enkele vaten in de Volgermeerpolder heeft het Amsterdams milieulaboratorium afval gevonden met hoge gehaltes polychloorbenzeen. Ze moeten tussen 1963 en 1965 zijn aangevoerd door bestrijdingsmiddelenproducent Philips Duphar. 'Naar schatting moeten er ongeveer honderd vaten liggen',

Dat blijken er uiteindelijk minstens tienduizend te zijn. In de vroege jaren tachtig ontwikkelt de Volgermeerpolder zich tot het grootste vervuilde terrein van Nederland. Ruim honderd hectare is zwaar verontreinigd met zeker tweeduizend ton, tussen 1960 en 1969 geleverd, chemisch afval . In die tijd maakte niemand zich druk over schadelijke bijproducten van de chemie.

Over de affaire-Volgermeer lijkt allles gezegd en geschreven. Na veertien jaar procederen tegen Philips Duphar, verloren de gemeente Amsterdam en de staat in 1994 de procedure over de aansprakelijkheid bij de Hoge Raad. De overheid kon niet aantonen dat Duphar als enige de schadelijke dioxines en andere chemicaliën had laten dumpen.

Het verweer dat in de jaren zestig alleen het chemiebedrijf wist welke effecten de producten hadden op de gezondheid van mens en dier, werd eveneens verworpen. Toch werden volgens de gemeente juist daarom tonnen chemicaliën bij de reinigingsdienst aangeboden. Niemand sloeg alarm want de overheid wist van niks, zo wil nog steeds het verhaal.

De vraag is of het klopt. Het is een van de kwesties die, bij het schrijven van een boek over de geschiedenis van de Volgermeer, uitgezocht moet worden. Na twintig jaar plannenmakerij en uitstel werd in 2003 begonnen met de schoonmaakoperatie die waarschijnlijk als de duurste facelift de geschiedenis zal ingaan. De stortplaats is te groot om fatsoenlijk te worden gesaneerd en wordt afgedekt met een nieuwe toplaag. Daarna kan het in 2011 als pseudo-natuurgebied in gebruik worden genomen. Kosten: honderd miljoen.

Vijfentwintig jaar na dato lijkt de vraag hoe het zover heeft kunnen komen, beter beantwoord te kunnen worden dan destijds. Ambtelijke sleutelfiguren zijn nog in leven en kunnen vrijuit praten. Het beschuldigde bedrijf, dat tijdens de affaire communiceerde via advocaten en zich verder muisstil hield, is juridisch volledig vrijgepleit.

Solvay Pharmaceuticals in Weesp, de rechtsopvolger van Philips Duphar, zou met een reconstructie schoon schip kunnen maken. En waarom niet, reageert aanvankelijk de directie van Solvay. Vorig jaar werden de archieven voor het eerst opengesteld.

In de kelders van Solvay is in een oogopslag te zien dat Duphar veel moeite heeft gestoken in het bestrijden van het negatieve imago. Er staan vele meters onderzoeksrapporten en interne documenten over de Volgermeer, waaronder zeker 38 ordners en rapporten die het bedrijf tot dusver alleen geschikt vond voor intern gebruik.

Solvay vraagt daarbij wel om eem Confidentiality Agreement; een verklaring waarin staat dat vertrouwelijke stukken pas na uitdrukkelijke toestemming gebruikt mogen worden.

Ook na die handtekening blijkt er een addertje onder het gras te zitten. Een stapel, met op het oog interessante documenten, is voorzien van een gele sticker met het woordje Nee!, en moet in het archief achterblijven. 'Naar de aard is deze correspondentie dermate vertrouwelijk dat wij de inhoud daarvan niet aan derden openbaar wensen te maken', lichten de juristen van Solvay toe.

Een van de dossiers die dicht moet blijven, bevat een reconstructie van een geheimzinnig bedrijfsongeval bij Philips Duphar in 1963, dat als 'de plof' bekend is geworden. Het intrigerende voorval wordt al jaren met de vervuiling in de Volgermeer in verband gebracht. Bij 'de plof' explodeerde een productieketel met het bestrijdingsmiddel 2,4,5-T, een destijds ook in de Vietnam-oorlog gebruikt ontbladeringsmiddel.

Pas zeven maanden na het ongeval lekt het incident uit. Zes ingehuurde schoonmakers zijn dan ernstig besmet geraakt met het gif. Ze ontwikkelen chlooracne; de ziekte die zich vorig jaar ook bij de Oekraïense president Joesjenko openbaarde, nadat hij was vergiftigd met dioxine.

Twaalf jaar na de plof zijn vier van de zes schoonmakers overleden. De relatie met het werk bij Duphar wordt niet onderzocht. Een jaar na het ongeval heeft het bedrijf al een nieuwe fabriekshal gebouwd. Dat alles gebeurde halverwege de jaren zestig, toen Duphar dagelijks afval naar de Volgermeer liet afvoeren. Of er resten van dat incident op de stortplaats terecht zijn gekomen, is misschien via de archiefkelders van Solvay te achterhalen - maar dus niet bij deze poging.

Uit de stukken die wel openbaar worden, blijkt dat Philips Duphar wist waar het bedrijfsafval terechtkwam. Elke dag rijdt transporteur Heerholz de bedrijfspoort binnen met een kleine vrachtauto. Zijn contract omvat de dagelijkse afvoer van lege vaten, bedrijfsafval en vuilnis.

En vólle vaten, zoals een vijftigtal pakbonnen uit 1968 laat zien. Ze vermelden dagelijks zes of meer vaten met afgekeurd bestrijdingsmiddel 2,4,5-T en afval van andere productielijnen. Het levert de transporteur 40 tot 45 gulden per vracht op.

In november 1964 krijgt een andere vervoerder opdracht 1060 vaten Lindaan en 150 vaten Tedion met brandschade 'af te voeren naar Broek in Waterland'. Het gaat om de sterkste pesticiden die op dat moment worden gemaakt. Dat ze in de drassige polder ten noorden van Amsterdam worden gestort, is voor het bedrijf geen geheim.

Wat wist de gemeente Amsterdam daarvan? Toen de Volgermeeraffaire in 1980 losbarstte, was de Amsterdamse ambtenaar Wil Sierhuis inspecteur vergunningen van de gemeentelijke reinigingsdienst. Jan Cleij was hoofd van de milieudienst. Beiden herinneren zich de contacten met Philips Duphar, maar hun mening over de bereidheid om aan het onderzoek mee te werken, verschilt.

'Het ging om deskundige mensen die redelijk verlegen waren met hun verleden', vindt Cleij. Maar Sierhuis herinnert zich vooral grote terughoudendheid. 'Als je ergens om vroeg, kreeg je antwoord. Deed je dat niet, dan hoorde je niets. Ik heb altijd het idee gehad dat Duphar niet het achterste van de tong heeft laten zien.'

Sierhuis heeft nooit geloofd dat in de jaren zestig onduidelijk was welke milieueffecten dioxinehoudend afval had. 'In de bestrijdingsmiddelenwet stond toen al iets over de maximale hoeveelheid dioxine die in 2,4,5-T mocht zitten. Daar moet een goede reden voor zijn geweest. Er is in de jaren zestig ook een incident geweest met het onkruidbeschermingsmiddel MCPA dat vrijkwam in het water van de Volgermeer. Het incident met vele dode vissen als gevolg, is toen rijkelijk geblust met cognac.'

Dat was niet de enige keer dat de gemeente een oogje dicht kneep. Want het verhaal dat de gemeente 'van niets wist', is volgens de ambtenaren fictie. Feitelijk was de stort van chemisch afval één groot gedogen, blijkt uit verklaringen van toenmalige medewerkers van de reinigingsdienst.

Formeel was het storten van gevaarlijk afval verboden. De hinderwetvergunning uit 1963 is daar duidelijk over. Voorwaarde 1: Op de stortplaats mogen geen stoffen worden aangevoerd 'waarvan waterige oplossingen reeds in geringe concentratie giftig zijn voor dierlijk of plantaardig leven'. Voorwaarde 2: 'Afval van chemische industrieën mag alleen worden gestort indien daarvoor een gifvrijverklaring is afgegeven.'

In geen enkel archief is ook maar een gifvrijverklaring te vinden. Omdat ze niet werden aangevraagd en dus ook niet werden verleend, erkent Sierhuis. 'Het beleid van de gemeente Amsterdam was: altijd alles aannemen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Rotterdam, waar gevaarlijk afval werd geweigerd. Het gevolg was dat in Amsterdam maar twee locaties waren waar dit afval naartoe ging; de Diemerzeedijk en de Volgermeerpolder . Terwijl er elders, zoals in Lekkerkerk, veel illegale stortplaatsen ontstonden.'

Aansprakelijkheid

Tijdens de processen over de aansprakelijkheid voor de gifaffaire is daar uiteraard met geen woord over gerept. 'Maar achteraf kunnen we spreken van goed beleid van Amsterdam', vindt hij. 'Het ging er pragmatisch aan toe. De vaten die klotsten gingen naar de Diemerzeedijk om te worden verbrand. Vaten die niet klotsten, gingen naar de Volgermeerpolder .' De vuilverbrandingsinstallatie in Amsterdam-Noord was volgens de reinigingsdienst geen alternatief. Daar klaagden buurtbewoners voortdurend over stank, roet en rondwaaiend vuilnis.

Oud-directeur Jan Cleij van de milieudienst beroept zich nu op onwetendheid. 'Het bestuur en de ambtenarij waren zich evenmin als de rest van de samenleving bewust van bodemverontreiniging. Natuurlijk is het storten van chemisch afval samen met huisvuil in veenputten geen duurzame oplossing. Ik heb daar wel eens bezwaar tegen gemaakt. Maar de vuilverbrandingsinstallatie zou dan groter moeten worden en daar was veel weerstand tegen. Dus moest je blijven dumpen.'

En dat gebeurde, routineus, vrijwel ongemerkt en op ongekende schaal. Hoewel hij ervan wist, zegt Cleij zich pas tijdens zijn derde bezoek aan de Volgermeerpolder gerealiseerd te hebben dat daar vele duizenden gifvaten terecht waren gekomen. In die periode blijft hij zich overigens verzetten tegen sluiting van de belt, hoewel omwonenden daar op aandringen. 'Misschien is er wel niets aan de hand. Wat in het vat zit, verzuurt niet, moet je maar denken.'

Dat is ook de houding van het stadsbestuur. Sluiting van de gifbelt is onmogelijk, houdt D66-wethouder Gerrit-Jan Wolffensperger vol. De stad kan het vuil daar gemakkelijk kwijt en andere oplossingen zijn duur. Tot 6 februari 1981 blijft het college van B en W twijfelen over de toekomst van de Volgermeer.

Uit de vertrouwelijke notulen van de collegevergadering blijkt dat wethouder Jan Schaefer van Volkshuisvesting de knoop doorhakt. Nadat ook de dijkgraaf rond de polder sluiting adviseert, kiest hij de kant van de bewoners. Hij vindt dat 'de belt binnen de kortste keren moet worden gesloten en dat direct daarna een damwand moet worden geslagen'. De tegenstribbelende wethouders Wolffensperger en Polak gaan overstag.

Die damwand zal er overigens nooit komen, ook niet in de operatie die momenteel wordt uitgevoerd. Hij is te duur en volgens deskundigen onnodig. Het chemisch afval blijft uit zichzelf opgesloten in de belt, is de inschatting. Na het sluiten van de stort gaat de stad op zoek naar alternatieve oplossingen om de hoeveelheid afval te beperken. Het college besluit dat 'er ideeën worden uitgewerkt om het instituut schillenboer weer in te stellen en her en der in de stad glasbakken te plaatsen'.

De GFT-emmer en de glasbak: de stilzwijgende samenwerking tussen een calculerende afvalproducent een gedogende overheid heeft toch nog iets opgeleverd.

Goof Buijs , Stephanie Kaars en Jeroen Trommelen: Gifpolder Volgermeer, van veen tot veen.
Uitgeverij Noord-Holland; € 24,50.
ISBN 90/71123/88/X.

Bron: Volkskrant
Auteur: JEROEN TROMMELEN